Guido en Henri, een verhaal over vriendschap, kansen en volharding.

Aan het einde van een lange gang, achter een kleine groene deur die enkel met een sleutel opengaat, staan grote bruine dozen. Daarin zitten de kopieën van de persoonlijke dossiers van studenten die in de jaren zestig aan de “Sociale Scholen van Leuven” studeerden. Een échte schatkamer. De dossiers zijn zorgvuldig gerangschikt per afstudeerjaar, en in de map 1965‑1966 duikt meteen een bekende naam op: Piet Cleemput. Piet maakte zich later verdienstelijk op de jeugdrechtbank in Dendermonde; ter zijner nagedachtenis werd in januari 2018 een fonds opgericht bij de Koning Boudewijnstichting dat jaarlijks een prestigieuze prijs uitreikt aan de beste bachelor‑ of masterproef sociaal werk in Vlaanderen.

In dezelfde map vind ik ook het dossier van mijn vader, Guido Roefs, geboren in 1942. Hij specialiseerde zich in arbeids‑ en personeelszaken, nadat hij zijn lagere humaniora in Turnhout en zijn hogere jaren in Boechout had voltooid. Een schrijven van de Broeder Directeur van het Sint‑Gabriël-instituut schetst een teder en bijna ontroerend beeld: “Guido is een zeer overtuigde christelijke jongen die gaarne wordt gezien door zijn medestudenten; hij is goed, braaf en heeft een rustig karakter, té rustig zelfs, volgens de broeder heeft hij een vaste hand nodig om voldoende te presteren.”

Op 13 september 1962 wordt mijn vader ingeschreven als inwonend student aan de “Centrale Hogeschool voor Christene Arbeiders”. Hij verbindt zich, “op zijn eer en in volle vrijheid, het reglement stipt na te volgen…”. Daar, tussen de gangen en de studiezalen, ontmoet hij Henri De Weert, voor mij altijd ‘nonkel Rik’, die al een half jaar eerder, op 24 februari 1962, was aangekomen. Henri, later Hendrik, werd in 1939 geboren als kind van een alleenstaande moeder. Zijn inschrijvingsbewijs laat er geen twijfel over bestaan dat hij gedomicilieerd was in Huize Iepenburg, een jongensinternaat in Schoten, terwijl zijn moeder Paulina in Nederland verbleef. In zijn dossier wordt nonkel Rik getypeerd als “een zeer stille jongen, vermoedelijk door de familiale moeilijkheden die hem van jongs af aan omringden”.

Het is onmogelijk dit verhaal te vertellen zonder de bredere context van Vlaanderen in de jaren zestig te voelen. De katholieke kerk was toen niet alleen een morele autoriteit, maar ook een poortwachter van emancipatie. Zowel Guido als Henri zijn kinderen van die tijd: gevormd door een systeem dat streng was, maar tegelijk deuren opende die anders gesloten bleven.

Ook mijn vader kende zijn portie moeilijkheden. Wanneer hij als oudste van vijf kinderen aan zijn studies in Leuven begint, is de onderneming van zijn vader failliet gegaan. Mijn grootmoeder schrijft in die periode een aangrijpende brief aan Monseigneur Cruysberghs: “Ik zit wat in moeilijkheden, bij Guido is het kostgeld met 1000 fr per trimester opgeslagen, dit zou nu 6000 fr zijn, dat is 18.000 frank per jaar, alleen voor kostgeld, Guido trok een studiebeurs 13.000 fr. … Nu wilde ik vragen, of U met den Directeur van de school eens wilde gaan spreken, voor afslag, ’t is toch een sociale school, zij zouden dan ook best den toestand moeten begrijpen…”. Uit een brief van directeur F. Smets aan de Monseigneur blijkt dat de bekommernissen van mijn oma ter harte werden genomen. Het is een treffend voorbeeld van hoe kerkelijke figuren toen bemiddelden, ondersteunden en soms letterlijk het verschil maakten tussen afhaken en doorstuderen.

Ook nonkel Rik bedankt in een brief een “Zeereerwaarde Pater” voor de kans die hij krijgt om verder te studeren. In diezelfde brief schrijft hij over een monografie die hij wil maken over de arbeider, maar dan wel in “een andere gemeente dan die van zijn eigen parochie die veelal is samengesteld uit ‘rijke dobbers’ en daar is nu werkelijk ‘sociaal gezien’ niet veel over te vertellen.” Zijn woorden tonen hoe scherp hij de sociale ongelijkheid van zijn tijd aanvoelde en hoe hij de taal vond om die ongelijkheid te benoemen.

Nonkel Rik loopt stage op de Sociale Dienst van de Kinderrechtbank in Antwerpen, en op het internaat waar hij vermoedelijk zelf zijn hele kinder‑ en jeugdjaren doorbracht. Mijn vader werkt op de personeelsdiensten van de melkerij van Gierle en later, onder leiding van chef Jan Veulemans, bij Janssen Pharmaceutica in Beerse. Mijn grootmoeder schrijft aan Monseigneur Cruysberghs: “Ik moet waarlijk zeggen dat de jonge Dokter Paul (Janssen) en Mevrouw zeer ingenomen met ons zijn.” Het is hartverwarmend te lezen hoe de gemeenschap in Beerse de rangen sluit rond de miserie van het gezin van mijn vader.

Een briefwisseling tussen mijn vader en R. Willems illustreert een warme persoonlijke band tussen student en ‘monitor’ op de “Sociale Scholen van Leuven”, en maakt duidelijk dat mijn vader zijn studies afrondt terwijl hij ook zijn verplichte legerdienst doet: “Waarde vriend Guido, … ik wens U intussen veel studie-ijver en hoop dat U in het leger nog voldoende tijd zult vinden om U degelijk voor te bereiden…”. Dat lukte, want mijn vader bleef zijn hele leven, en ook al studeerde hij later nog economie, een trotse ‘maatschappelijk assistent’. Kort na zijn afstuderen trouwde hij met mijn moeder, en een jaar later, in 1967, werd ik geboren én gedoopt door -jawel- Monseigneur Cruysberghs.

Mijn vader en nonkel Rik werkten nog een tijdlang samen op de personeelsdienst van Opel in Antwerpen. Daarna gingen ze elk hun eigen professionele weg, maar hun vriendschap bleef diep en onverwoestbaar. Toen nonkel Rik in 2019 overleed, doofde ook bij mijn vader al een klein vlammetje. Hij volgde zijn boezemvriend uiteindelijk twee jaar later, in november 2021, naar de eeuwigheid van herinneringen.

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑